We zijn in Haarlem.
Haarlem wordt voor het eerst genoemd in een document uit de 10e eeuw. In 1245 kreeg het stadsrechten van Willem II van Holland. Aan het eind van de middeleeuwen was Haarlem een van de belangrijkste steden van Holland geworden. In de Vroegmoderne Tijd ontwikkelde de stad zich op industrieel gebied als textielstad en op cultureel gebied als schildersstad. De stad werd de zetel van de graven van Holland en in 1245 verleende Graaf Willem II Haarlem stadsrechten. Door de gunstige ligging aan het Spaarne en door de Herenweg, de verbindingsweg die Noord en Zuid Holland verbond, kon de stad zich snel ontwikkelen. De economie van de stad draaide in de 13e en 14e eeuw vooral op het brouwen van bier, scheepsbouw en lakennijverheid. In de 15e eeuw liep de economie terug. Dit was mede te wijten aan de onlusten in die periode in Holland en West-Friesland. De stad kende na 1577 een periode van enorme bloei. Het aantal inwoners groeide binnen 50 jaar van 18.000 naar 40.000, wat Haarlem tot een van de grootste steden van Holland maakte. De economische bloei was vooral te danken aan de textielnijverheid, maar ook aan boekdrukkunst en tulpenhandel. In 1631 werd begonnen met de aanleg van een trekvaart tussen Haarlem en Amsterdam en in 1657 werd er een trekvaart gegraven tussen Haarlem en Leiden. Aan het einde van de 17e eeuw was het inwonertal van de stad gegroeid tot 55.000.
We verkennen de oude stad en bekijken vele van zijn monumenten waaronder:
Het Stadhuis,
Het stadhuis van Haarlem bevindt zich op de Grote Markt. Op dezelfde locatie stond eerder een jachtslot van de graven van Holland en het door Floris V in 1296 gestichte Dominicanenklooster. Het jachtslot, dat dienstdeed als militair en bestuurlijk centrum, werd in de 14de eeuw door brand verwoest. Het stadhuis, een rechthoekig gebouw bestaande uit het Zaalgebouw en de Gravenzaal, met kantelen en een toren, werd in 1370 op dezelfde plaats opgericht. In de eeuwen daarop werden diverse verbouwingen uitgevoerd. De stadhuistoren werd tussen 1465 en 1468 opgetrokken, maar in 1772 afgebroken en pas in 1913 herbouwd. Na de opheffing in 1578 van het Dominicanen- of Jacobijnenklooster werden de kloostergebouwen en het pandhof in het stadhuiscomplex geïntegreerd. De tweebeukige kloosterkerk werd in 1579 gesloopt. Tussen 1622-1630 werd een nieuwe vleugel in de Hollandse renaissancestijl gebouwd naar ontwerp van Lieven de Key. De stadhuisgevel werd in de periode van 1630-1633 in classicistische stijl vernieuwd. In 1764 werd een nieuwe vleugel, de Weeskamer genoemd, aan de Koningstraat opgericht. Een grote uitbreiding vond in de jaren 1885-1891 aan de kant van de Koningstraat en Jacobijnenstraat plaats.
De Vleeshal,
Sinds 1386 stond op de hoek van de Spekstraat en de Warmoesstraat een vleeshal waar vlees door vleeshouwers (slagers) werd verkocht. De Warmoesstraat heette dan ook heel lang de Vleeshouwersstraat. Het was handig om vlees op een centraal punt te verkopen, omdat de burgers dan veel keus hadden en de keurmeesters van de overheid konden zo het vlees beter controleren. De Vleeshal bleef als verkoopplaats voor vlees in gebruik tot in de 19e eeuw.
de Molen De Adriaan
De Adriaan werd geopend op 19 mei 1779. De windmolen staat aan de rivier het Spaarne, toentertijd aan de rand van de stad. De molen werd gebouwd op de resterende funderingen van het vroegere vestingwerk de Goe Vrouwtoren, behorende tot de Catrijnenpoort. De Goe Vrouwtoren maakte deel uit van de vestingwerken van Haarlem. Doordat de molen boven op de fundering van de toren gebouwd werd, stond de molen hoog en ving daarmee veel wind. De molen werd in eerste instantie gebruikt voor het malen van tufsteen, schelpen en eikenschors. In 1802 werd de molen verkocht aan een tabakshandelaar, die er tabak produceerde. In 1865 veranderde de molen van eigenaar en functie. De molen wordt omgebouwd tot wind- en stoommolen, voortaan wordt er graan gemalen.
en het Teylershofje
Teylers Hofje is een van de twintig hofjes die Haarlem kent. Het Teylers Hofje is van 1787 en is gesticht uit de nalatenschap van Pieter Teyler van der Hulst. Pieter Teyler van der Hulst vestigde al een hofje in 1752, na de dood van zijn vrouw. Hij vestigde dit hofje op het terrein van het huidige Vrouwe- en Antonie Gasthuys. In zijn testament bepaalde hij dat er een nieuw hofje gebouwd moest worden aan het Spaarne. In 1787 werd het Teylershofje verplaatst naar de Koudenhorn.













































































































